Rechten burger en de wet WOZ
Gemeenten in Nederland leggen ieder jaar aan iedere eigenaar een belastingaanslag op ten aanzien van de economische waarde van de woning de zogenaamde wet WOZ (hierna WWOZ).
Bij het vaststellen van die waarde wordt door de gemeenten altijd verwijzen naar zogenaamde vergelijkbare objecten, in deze andere woningen. Echter die vlieger gaat slecht zelden echt op. De gemeente appelleert daarbij aan het gelijkheidsbeginsel. Echter om het gelijk aan te kunnen tonen moet de gemeente de situatie behoorlijk goed kunnen onderbouwen. Dit vindt echter altijd maar minimaal plaats. De verwijziging naar de zogenaamde vergelijkbare woningen vindt de gemeente in de regel voldoende. Maar voor de burger betekent dit dat die zogenaamde gelijkheid moet worden aangevochten. Het ene huis is het andere niet en niet alleen de ligging van een huis speelt mee en zelfs niet alleen de prijs waarvoor de vergelijkbare woning, recent, is verkocht. Neen. Belangrijker is hoe de staat van onderhoud is en vooral hoe het er binnen uit ziet. Denk aan luxe badkamer en keuken. En alle andere extra’s die een woning veel meer waar kunnen doen laten zijn. Nu laat de gemeente woningen taxeren en daarbij wordt in de regel dan ook de binnenkant meegenomen. Dus voor de burger die het met een aanslag niet eens is dan maar de taxatierapporten van die vergelijkbare woningen opgevraagd. Echter daar gaat het dan fout. In het kader van de WWOZ geldt de Wet openbaarheid van bestuur niet. Op grond van artikel 40 eerste lid van de WWOZ kunnen gegevens worden opgevraagd door diegene die kan aantonen uit hoofde van de belastingheffing te zijnen aanzien een gerechtvaardigd belang te hebben bij de verkrijging daarvan. Maar nu komt het. Indien de gemeentelijke belastingambtenaar en dus in feite het college weigert om die gegevens te verstrekken kan daar, gelet op artikel 26 eerste lid Algemene Wet Rijksbelastingen kan tegen de weigering om de gevraagde gegevens te verstrekken geen bezwaar laat staan tegen een afwijzing beroep kan worden ingesteld. Dat is de mening van de rechtbank Almelo bij uitspraak van 7 december 2011. Bijzonder is wel dat de Afdeling Bestuursrechtspraak bij uitspraak van 17 september 2003 wel inhoudelijk op een zelfde verzoek een vonnis heeft gewezen en het met geen woord gehad heeft over het door de rechtbank Almelo naar voren gebrachte “gebrek” (zie LJN: AK4040). Nog meer bijzonder is dat tijdens de parlementaire behandeling van de WWOZ dit onderwerp nadrukkelijk naar voren is gekomen en daarbij het volgende naar voren is gebracht: “indien het redelijk is dat aan derden het waardegegeven ter beschikking wordt gesteld. Dit met het oog op de mogelijkheid voor de burger om in de praktijk te kunnen toetsen of het college van burgemeester en wethouders het gelijke ook gelijk behandeld, in casu gewaardeerd heeft” (memorie van toelichting Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 885, nr. 3, paragraaf 11).
De wetgever is er dus van uitgegaan dat die beperkte verstrekking wel degelijk tot de mogelijkheden behoort en ook de Afdeling Bestuursrechtspraak is daarbij bij de uitspraak van 17 september 2003 uitgegaan.
Dus verdient het om tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo in hoger beroep te gaan. Indien de Afdeling Bestuursrechtspraak zogenaamd omgaat en met de rechtbank meegaat dan moet de wetgever aan het werk. Ook is het trouwens mogelijk om in beroep bij de rechtbank tegen een WWOZ aanslag om daar aan te geven dat er bij het college van burgemeester en wethouders geen sprake is van het toepassen van het gelijkheidsbeginsel. Op grond daarvan kan de rechtbank dan de taxatierapporten bij de gemeente opvragen en die kunnen dan weer door worden gegeven aan de burger die in beroep is gegaan. Maar het geheel verdient duidelijk geen schoonheidsprijs.

