BIBOB adviezen overschrijden wettelijk beoogde doel
De grondslag van de wet BIBOB is het voorkomen dat illegaal verworven geld wordt gebruikt om in de zogenaamde bovenwereld wit te wassen. Dat witwassen moet dan plaatsvinden door het verkrijgen van vergunningen, aanbestedingen of subsidies die door overheidsorganen moeten worden verstrekt. De overheidsorganen moeten beschermd worden tegen dit soort praktijken. Dus mogen er geen vergunningen worden verleend indien blijkt dat het geld om op basis van die vergunning iets te doen hebben met, zoals een horecabedrijf exploiteren, crimineel verkregen geld en op die wijze wordt gefinancieerd.
De basis is dat de vergunning verlenende overheids lichamen, zoals het college van burgemeester en wethouders, zelf eerst onderzoek moet doen naar de financiering. Het college kan aan de aanvrager veel vragen stellen over hoe één en ander financieel geregeld is. Blijft na het verstrekken van gegevens, ten aanzien van de vergunning aanvrager, twijfels bestaan over de financiering dan kan het college een beroep doen op het Bureau BIBOB van het Ministerie van Justitie. Dit betekent dat de gemeente eerst het eigen huiswerk goed moeten doen. Dit betekent tevens dat er gegronde twijfels moeten zijn over die financiering.
Wat is echter realiteit. Dat gemeenten het Bureau BIBOB om advies vragen, zonder eerst een behoorlijk eigen onderzoek te doen, en het Bureau vervolgens niet alleen naar de financiële situatie gaat kijken maar ook het strafblad gaat bekijken van diegene die de vergunning heeft aangevraagd. Maar dat is niet alles. Daarbij worden ook zaken meegenomen die nog niet ter beoordeling bij de rechter zijn geweest. Dat komt dan onder de vermelding "vermoedens" te staan. Daaruit trekt het Bureau BIBOB soms zeer ver gaande conclusies terwijl de feiten nog lang niet vast staan. Gemeenten zijn zeer gemakkelijk in het overnemen van die "vermoedens". Maar "vermoedens" zijn geen feiten. Wat het Bureau BIBOB nu doet is nooit de bedoeling geweest. Er is sprake van een overschrijding van de eisen van redelijkheid in de beoordeling van de verzoek om advies ten aanzien van diegenen die een vergunning aanvragen. En tenslotte blijven de gemeenten met de aansprakelijkheid zitten. Met name als de "vermoeden" nadien bij de rechter onjuist blijken te zijn.
De basis is dat de vergunning verlenende overheids lichamen, zoals het college van burgemeester en wethouders, zelf eerst onderzoek moet doen naar de financiering. Het college kan aan de aanvrager veel vragen stellen over hoe één en ander financieel geregeld is. Blijft na het verstrekken van gegevens, ten aanzien van de vergunning aanvrager, twijfels bestaan over de financiering dan kan het college een beroep doen op het Bureau BIBOB van het Ministerie van Justitie. Dit betekent dat de gemeente eerst het eigen huiswerk goed moeten doen. Dit betekent tevens dat er gegronde twijfels moeten zijn over die financiering.
Wat is echter realiteit. Dat gemeenten het Bureau BIBOB om advies vragen, zonder eerst een behoorlijk eigen onderzoek te doen, en het Bureau vervolgens niet alleen naar de financiële situatie gaat kijken maar ook het strafblad gaat bekijken van diegene die de vergunning heeft aangevraagd. Maar dat is niet alles. Daarbij worden ook zaken meegenomen die nog niet ter beoordeling bij de rechter zijn geweest. Dat komt dan onder de vermelding "vermoedens" te staan. Daaruit trekt het Bureau BIBOB soms zeer ver gaande conclusies terwijl de feiten nog lang niet vast staan. Gemeenten zijn zeer gemakkelijk in het overnemen van die "vermoedens". Maar "vermoedens" zijn geen feiten. Wat het Bureau BIBOB nu doet is nooit de bedoeling geweest. Er is sprake van een overschrijding van de eisen van redelijkheid in de beoordeling van de verzoek om advies ten aanzien van diegenen die een vergunning aanvragen. En tenslotte blijven de gemeenten met de aansprakelijkheid zitten. Met name als de "vermoeden" nadien bij de rechter onjuist blijken te zijn.

