De bestuurlijke boete
Algemeen wettelijk kader is de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)
Bestuurlijke boete (Afdeling 5.4.1 van de Awb)
Het boete systeem kent:
(categorie I) de lage boete tot maximaal €340,-- en
(categorie II) de hoge boete, meer dan €340,--.
Bij boeten van categorie II zijn veel meer zekerheden ingebouwd voor de burger om zich te kunnen verweren en heeft moet het bestuursorgaan aan meer verplichtingen voldoen.
De belangrijkste bepalingen
Hier is de tekst niet letterlijke overgenomen en ook niet alles opgenomen maar, zover mogelijk, gekoppeld aan andere artikelen of mogelijke consequenties bij de uitvoering van de wet.
Artikel 5.4.1.2
Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voorzover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
Toelichting
Hier is er sprake van de zogenaamde schulduitsluitingsgronden. De burger kan zich beroepen op dit artikel als hem de overtreding niet verweten kan worden. Bijvoorbeeld hij heeft wel de overtreding gemaakt maar daardoor iets ernstigers voorkomen of hij heeft onder dwang de overtreding begaan.
Artikel 5.4.1.4
Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien aan de overtreder wegens de zelfde gedraging reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoel in artikel 5.4.2.3, tweede lid, is bekend gemaakt.
Toelichting
Dus bij herhaling van de zelfde overtreding niet opnieuw een bestuurlijke boete en ook geen boete indien, na een eerdere boete en na de zienswijze fase, het bestuursorgaan van oordeel is dat geen boete zal worden opgelegd of dat de overtreding aan het ministerie van justitie zal worden overgelegd.
Artikel 5.4.1.6
1. Indien artikel 5.4.2.6 van toepassing is, vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een
bestuurlijke boete vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden
2. In de overige gevallen vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke
boete twee jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden
Toelichting
Overtredingen van categorie II zijn na 5 jaren niet meer vervolgbaar, overtredingen van categorie I zijn na 2 jaar niet meer vervolgbaar.
Artikel 5.4.1.7
1. In een wettelijk voorschrift kan de hoogte van de bestuurlijke boete worden opgenomen
2. Indien de hoogte van de boete niet is vastgelegd moet het bestuursorgaan bij het opleggen
daarvan rekening houden met:
a. de mate van verwijtbaarheid;
b. de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
3. Indien de hoogte van de boete wel is vastgelegd moet het bestuursorgaan een lagere boete
opleggen indien de overtreder aannemelijk kan maken dat de vastgestelde boete wegens }
bijzondere omstandigheden te hoog is.
Toelichting
Dit artikel geeft een drietal mogelijkheden voor de burger om gronden aan te voeren tot het
krijgen van een lagere boete dan die is opgelegd. Het bestuursorgaan kan twee van die gronden blokkeren door in een wettelijk voorschrift (bijv. verordening) de hoogte van de boete vast te stellen. Dan blijft er voor de burger alleen het gestelde onder 3. over. Er kunnen vele bijzondere omstandigheden worden aangevoerd. Voor de overheid ligt hier een taak om duidelijkheid te verschaffen. Wordt dit nagelaten dan heeft de burger een vrije mogelijkheid om gronden aan te voeren.
De procedure (afdeling 5.4.2)
Artikel 5.4.2.1
1. het bestuursorgaan en de voor de overtreding bevoegde toezichthouder kunnen van de
overtreding een rapport opmaken.
3. Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de bekendmaking van de beschikking tot
oplegging van de bestuurlijke boete aan de overtreder toegezonden of uitgereikt.
4. Een door een politie ambtenaar opgemaakt proces-verbaal treedt in de plaats van een
rapport.
Toelichting
In lid 1 van dit artikel zit het zogenaamde sepot begrip. Dit betekent dat, met name de toezichthouder, die een overtreding ziet geen rapport moet opmaken. Ook een bestuursorgaan hoeft geen rapport op te maken. Het bestuursorgaan en de toezichthouder hebben derhalve een behoorlijke hoeveelheid aan ruimte om wel of geen rapport op te maken. Tevens bestaat op grond van dit artikel de mogelijkheid om een soort bon uit te schrijven in de vorm van een parkeerbon bij een eenvoudige overtreding. Bij het uitreiken van de opgelegde boete moet dan tevens vermeld staan dat er binnen 6 weken een bezwaarschrift kan worden ingediend tegen de opgelegde en direct uitgereikte boete.
Ook hier kan door middel van een wettelijk voorschrift weer van worden afgeweken. Ook hier moeten wettelijke voorschriften en beleid voor duidelijkheid zorgen om rechtsongelijkheid te voorkomen. Voor categorie II overtreding wordt deze vrijheid doorbroken dor het gestelde in artikel 5.4.2.6 lid 2 waarin staat dat bij deze categorie boeten een rapport of proces-verbaal moet worden opgemaakt.
Artikel 5.4.2.2
1. Het bestuursorgaan stelt de overtreder desgevraagd in de gelegenheid de gegevens die de
grondslag vormen voor het opleggen van de boete, of het voornemen tot het opleggen van de
boete, ter inzage bij de overtreder die daar dan tevens afschriften van mag maken.
2. Indien de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt moet het bestuursorgaan
er voor zorgen dat de gegevens worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijk taal.
Toelichting
Diegene niet een boete krijgt of die medegedeeld heeft gekregen dat aan hem een boete zal worden opgelegd mag de gegevens (wettelijke bepalingen, beleidnota's) inzien die te maken hebben met de betreffende boete. Er mag tevens afschriften van die gegevens worden vervaardigd.
Het tweede lid is een stelplicht aan het bestuursorgaan om de overtreder duidelijk te maken waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt en waarom er een boete is of zal worden opgelegd zodat de overtreder zich beter kan verdedigen en een beter gebruik kan maken van het gestelde in de artikelen 5.4.1.2, 5.4.1.7 lid 2. dan wel lid 3.
Artikel 5.4.2.3
1. Indien de overtreder in de gelegenheid wordt gesteld over het voornemen tot het
opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijzen naar voren te brengen,
a. wordt het rapport reeds bij de uitnodiging daartoe aan de overtreder toegezonden of
uitgereikt;
b. zorgt het bestuursorgaan voor een tolk indien de redelijkheid dit vergt.
2. Het bestuursorgaan, dient na het inbrengen van de zienswijzen, de overtreder schriftelijk in
kennis te stellen dat er of geen bestuurlijke boete wordt opgelegd of dat de overtreding
alsnog naar het openbaar ministerie is doorgestuurd.
Toelichting
Lid 1 van dit artikel geeft het bestuursorgaan de vrijheid bij categorie I overtredingen om wel of geen gelegenheid te geven tot het inbrengen van zienswijzen. Ook hier doet het bestuursorgaan er verstandig aan dit op te nemen in een wettelijk voorschrift of nader vast te stellen beleid zodat hierover geen rechtsonzekerheid bestaat. Bij categorie II overtredingen moet altijd zienswijzen worden gevraagd, dit wordt verplicht gesteld in artikel 5.4.2.6 lid 3.
Sub a geeft evenals artikel 5.4.2.2 aan dat de overtreder de beschikking moet krijgen over alle voor hem ter zake relevante gegevens voor zijn verdediging en sub b geeft hierbij aan dat het bestuursorgaan voor een tolk moet zorgen als de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt.
Artikel 5.4.2.4
Als een rapport is opgemaakt moet het bestuursorgaan binnen dertien weken beslissen, te rekenen vanaf de dag na dagtekening van het rapport. Deze termijn wordt maximaal opgeschort met 13 weken, met ingang van de dag waarop de gedraging aan het openbaar ministerie is voorgelegd.
Toelichting
In dit artikel staan de beslistermijnen nadat er een rapport is opgemaakt. Het bestuursorgaan krijgt maximaal 13 weken de tijd. Verstrijkt deze termijn zonder dat er een boete is opgelegd dan mag de boete ook niet meer worden opgelegd. Er is sprake van een verlenging van deze termijn en wel als het bestuursorgaan het rapport naar het openbaar ministerie heeft gezonden. Het openbaar ministerie kan aan het bestuurorgaan mededelen dat zij niet tot strafrechtelijke vervolging zal overgaan. Het openbaar ministerie kan ook niets doen en de in artikel 5.4.1.5 lid 3 onder sub b genoemde termijn laten passeren. Dit betekent dat de maximale termijn tussen het opmaken van een rapport en het daadwerkelijk opleggen van een boete 26 weken is. Daarna vervalt het recht om een boete op te leggen.
Artikel 5.4.2.6
Bij een bestuurlijke boete van de categorie II moet van de overtreding steeds een rapport of proces-verbaal worden opgemaakt en moet de overtreder steeds in de gelegenheid worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen.
Bij een categorie II boete mag diegene die het rapport of proces-verbaal opmaakt niet diegene zijn die de boete oplegt.
Toelichting
Bij de categorie II boete heeft het bestuursorgaan meer verplichtingen ten opzichte van de overtreder. Zo is het in dit artikel verplicht gesteld dat er een rapport of proces-verbaal wordt opgemaakt en vooral van belang is dat de overtreder in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen. Ingevolge het gestelde in artikel 5.4.2.3 moet bij de uitnodiging om de zienswijze in te brengen reeds het opgemaakte rapport worden toegezonden zodat de overtreder zich op een behoorlijke wijze kan verdedigen tegen het gestelde in het rapport of proces-verbaal.
Bestuurlijke boete (Afdeling 5.4.1 van de Awb)
Het boete systeem kent:
(categorie I) de lage boete tot maximaal €340,-- en
(categorie II) de hoge boete, meer dan €340,--.
Bij boeten van categorie II zijn veel meer zekerheden ingebouwd voor de burger om zich te kunnen verweren en heeft moet het bestuursorgaan aan meer verplichtingen voldoen.
De belangrijkste bepalingen
Hier is de tekst niet letterlijke overgenomen en ook niet alles opgenomen maar, zover mogelijk, gekoppeld aan andere artikelen of mogelijke consequenties bij de uitvoering van de wet.
Artikel 5.4.1.2
Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voorzover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
Toelichting
Hier is er sprake van de zogenaamde schulduitsluitingsgronden. De burger kan zich beroepen op dit artikel als hem de overtreding niet verweten kan worden. Bijvoorbeeld hij heeft wel de overtreding gemaakt maar daardoor iets ernstigers voorkomen of hij heeft onder dwang de overtreding begaan.
Artikel 5.4.1.4
Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien aan de overtreder wegens de zelfde gedraging reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoel in artikel 5.4.2.3, tweede lid, is bekend gemaakt.
Toelichting
Dus bij herhaling van de zelfde overtreding niet opnieuw een bestuurlijke boete en ook geen boete indien, na een eerdere boete en na de zienswijze fase, het bestuursorgaan van oordeel is dat geen boete zal worden opgelegd of dat de overtreding aan het ministerie van justitie zal worden overgelegd.
Artikel 5.4.1.6
1. Indien artikel 5.4.2.6 van toepassing is, vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een
bestuurlijke boete vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden
2. In de overige gevallen vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke
boete twee jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden
Toelichting
Overtredingen van categorie II zijn na 5 jaren niet meer vervolgbaar, overtredingen van categorie I zijn na 2 jaar niet meer vervolgbaar.
Artikel 5.4.1.7
1. In een wettelijk voorschrift kan de hoogte van de bestuurlijke boete worden opgenomen
2. Indien de hoogte van de boete niet is vastgelegd moet het bestuursorgaan bij het opleggen
daarvan rekening houden met:
a. de mate van verwijtbaarheid;
b. de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
3. Indien de hoogte van de boete wel is vastgelegd moet het bestuursorgaan een lagere boete
opleggen indien de overtreder aannemelijk kan maken dat de vastgestelde boete wegens }
bijzondere omstandigheden te hoog is.
Toelichting
Dit artikel geeft een drietal mogelijkheden voor de burger om gronden aan te voeren tot het
krijgen van een lagere boete dan die is opgelegd. Het bestuursorgaan kan twee van die gronden blokkeren door in een wettelijk voorschrift (bijv. verordening) de hoogte van de boete vast te stellen. Dan blijft er voor de burger alleen het gestelde onder 3. over. Er kunnen vele bijzondere omstandigheden worden aangevoerd. Voor de overheid ligt hier een taak om duidelijkheid te verschaffen. Wordt dit nagelaten dan heeft de burger een vrije mogelijkheid om gronden aan te voeren.
De procedure (afdeling 5.4.2)
Artikel 5.4.2.1
1. het bestuursorgaan en de voor de overtreding bevoegde toezichthouder kunnen van de
overtreding een rapport opmaken.
3. Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de bekendmaking van de beschikking tot
oplegging van de bestuurlijke boete aan de overtreder toegezonden of uitgereikt.
4. Een door een politie ambtenaar opgemaakt proces-verbaal treedt in de plaats van een
rapport.
Toelichting
In lid 1 van dit artikel zit het zogenaamde sepot begrip. Dit betekent dat, met name de toezichthouder, die een overtreding ziet geen rapport moet opmaken. Ook een bestuursorgaan hoeft geen rapport op te maken. Het bestuursorgaan en de toezichthouder hebben derhalve een behoorlijke hoeveelheid aan ruimte om wel of geen rapport op te maken. Tevens bestaat op grond van dit artikel de mogelijkheid om een soort bon uit te schrijven in de vorm van een parkeerbon bij een eenvoudige overtreding. Bij het uitreiken van de opgelegde boete moet dan tevens vermeld staan dat er binnen 6 weken een bezwaarschrift kan worden ingediend tegen de opgelegde en direct uitgereikte boete.
Ook hier kan door middel van een wettelijk voorschrift weer van worden afgeweken. Ook hier moeten wettelijke voorschriften en beleid voor duidelijkheid zorgen om rechtsongelijkheid te voorkomen. Voor categorie II overtreding wordt deze vrijheid doorbroken dor het gestelde in artikel 5.4.2.6 lid 2 waarin staat dat bij deze categorie boeten een rapport of proces-verbaal moet worden opgemaakt.
Artikel 5.4.2.2
1. Het bestuursorgaan stelt de overtreder desgevraagd in de gelegenheid de gegevens die de
grondslag vormen voor het opleggen van de boete, of het voornemen tot het opleggen van de
boete, ter inzage bij de overtreder die daar dan tevens afschriften van mag maken.
2. Indien de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt moet het bestuursorgaan
er voor zorgen dat de gegevens worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijk taal.
Toelichting
Diegene niet een boete krijgt of die medegedeeld heeft gekregen dat aan hem een boete zal worden opgelegd mag de gegevens (wettelijke bepalingen, beleidnota's) inzien die te maken hebben met de betreffende boete. Er mag tevens afschriften van die gegevens worden vervaardigd.
Het tweede lid is een stelplicht aan het bestuursorgaan om de overtreder duidelijk te maken waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt en waarom er een boete is of zal worden opgelegd zodat de overtreder zich beter kan verdedigen en een beter gebruik kan maken van het gestelde in de artikelen 5.4.1.2, 5.4.1.7 lid 2. dan wel lid 3.
Artikel 5.4.2.3
1. Indien de overtreder in de gelegenheid wordt gesteld over het voornemen tot het
opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijzen naar voren te brengen,
a. wordt het rapport reeds bij de uitnodiging daartoe aan de overtreder toegezonden of
uitgereikt;
b. zorgt het bestuursorgaan voor een tolk indien de redelijkheid dit vergt.
2. Het bestuursorgaan, dient na het inbrengen van de zienswijzen, de overtreder schriftelijk in
kennis te stellen dat er of geen bestuurlijke boete wordt opgelegd of dat de overtreding
alsnog naar het openbaar ministerie is doorgestuurd.
Toelichting
Lid 1 van dit artikel geeft het bestuursorgaan de vrijheid bij categorie I overtredingen om wel of geen gelegenheid te geven tot het inbrengen van zienswijzen. Ook hier doet het bestuursorgaan er verstandig aan dit op te nemen in een wettelijk voorschrift of nader vast te stellen beleid zodat hierover geen rechtsonzekerheid bestaat. Bij categorie II overtredingen moet altijd zienswijzen worden gevraagd, dit wordt verplicht gesteld in artikel 5.4.2.6 lid 3.
Sub a geeft evenals artikel 5.4.2.2 aan dat de overtreder de beschikking moet krijgen over alle voor hem ter zake relevante gegevens voor zijn verdediging en sub b geeft hierbij aan dat het bestuursorgaan voor een tolk moet zorgen als de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt.
Artikel 5.4.2.4
Als een rapport is opgemaakt moet het bestuursorgaan binnen dertien weken beslissen, te rekenen vanaf de dag na dagtekening van het rapport. Deze termijn wordt maximaal opgeschort met 13 weken, met ingang van de dag waarop de gedraging aan het openbaar ministerie is voorgelegd.
Toelichting
In dit artikel staan de beslistermijnen nadat er een rapport is opgemaakt. Het bestuursorgaan krijgt maximaal 13 weken de tijd. Verstrijkt deze termijn zonder dat er een boete is opgelegd dan mag de boete ook niet meer worden opgelegd. Er is sprake van een verlenging van deze termijn en wel als het bestuursorgaan het rapport naar het openbaar ministerie heeft gezonden. Het openbaar ministerie kan aan het bestuurorgaan mededelen dat zij niet tot strafrechtelijke vervolging zal overgaan. Het openbaar ministerie kan ook niets doen en de in artikel 5.4.1.5 lid 3 onder sub b genoemde termijn laten passeren. Dit betekent dat de maximale termijn tussen het opmaken van een rapport en het daadwerkelijk opleggen van een boete 26 weken is. Daarna vervalt het recht om een boete op te leggen.
Artikel 5.4.2.6
Bij een bestuurlijke boete van de categorie II moet van de overtreding steeds een rapport of proces-verbaal worden opgemaakt en moet de overtreder steeds in de gelegenheid worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen.
Bij een categorie II boete mag diegene die het rapport of proces-verbaal opmaakt niet diegene zijn die de boete oplegt.
Toelichting
Bij de categorie II boete heeft het bestuursorgaan meer verplichtingen ten opzichte van de overtreder. Zo is het in dit artikel verplicht gesteld dat er een rapport of proces-verbaal wordt opgemaakt en vooral van belang is dat de overtreder in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen. Ingevolge het gestelde in artikel 5.4.2.3 moet bij de uitnodiging om de zienswijze in te brengen reeds het opgemaakte rapport worden toegezonden zodat de overtreder zich op een behoorlijke wijze kan verdedigen tegen het gestelde in het rapport of proces-verbaal.

